Als je dat doet, moet je uiteindelijk op de blaren zitten | column Joost Oomen
In dit artikel:
Breyten Breytenbach, een blanke dichter uit het plattelandsdorp Kafferskuilrivier, verzette zich openlijk tegen het apartheidsregime. Nadat hij in ballingschap in Parijs woonde, keerde hij heimelijk terug naar Zuid-Afrika om zwarte arbeiders te helpen vakbonden opzetten. Dat werd hem zwaar aangerekend: hij kreeg een celstraf van negen jaar (waarvan twee jaar eenzame opsluiting) en werd tijdens zijn gevangenschap vernederd; zijn moeder overleed terwijl hij vastzat en cipiers lazen cynisch uit haar brieven voor. Buiten de gevangenis kreeg hij weinig steun en veel veroordeling; men vond dat hij zich niet had moeten bemoeien met “zaken die hem niet aangingen”.
De schrijver gebruikt Breytenbachs lot als vergelijking met hedendaagse activisten die met boten naar Gaza varen om hulp — zelfs babymelk — te brengen. Ook zij worden bespot, gefouilleerd en publiekelijk vernederd; er circuleert een filmpje van een Israëlische minister die gelachend naar geknelde, vastgebonden jongeren kijkt. Op sociale media klinken dezelfde verwijten als destijds: bemoei je er niet mee, en draag de consequenties als het fout gaat.
De kernboodschap is optimistisch-predicatief: historische oordelen kunnen keren. Breytenbach werd uiteindelijk van “terrorist” een symbool van verzet en de apartheid viel. Wie destijds wegkeek of meedeed aan het kleineren, zou zich later moeten schamen. De auteur daagt de lezer uit na te denken of men aan de juiste kant van de geschiedenis wil staan — en of men bereid is later de morele rekening te betalen als men nu wegkijkt.