25 jaar geleden brak mond en klauwzeer uit bij een boerenbedrijf in Ie. Wat hebben we sindsdien geleerd?
In dit artikel:
Precies 25 jaar na de Nederlandse uitbraak van mond- en klauwzeer (MKZ) bij een melkveebedrijf in Ie bespreekt hoogleraar vergelijkende ziektekunde Thijs Kuiken (Erasmus MC) waarom zo’n incident niet per se betekent dat de bio‑veiligheid structureel op orde is. De oorspronkelijke MKZ-crisis ontstond toen geïmporteerde Ierse kalfjes tijdens transport in contact kwamen met besmette schapen; nog steeds worden jaarlijks zo’n 700.000 kalfjes uit het buitenland naar Nederland gebracht. Hoewel importstoppen uit risicolanden en strenge registratie met oormerken Europa als het ware hebben afgesloten, blijft het risico op nieuwe uitbraken bestaan door hoge veedichtheid en intensieve stallen.
Kuiken wijst op Nederland als het Europees land met de hoogste vee-dichtheid — ongeveer vier keer boven het EU‑gemiddelde — waardoor virussen in dicht op elkaar levende dieren meer kans krijgen te muteren en ernstiger te worden. Als voorbeeld noemt hij de vogelgriep: een variant van het H5‑virus die in 1996 in China bij ganzen verscheen, is sindsdien wereldwijd dominant geworden; alleen Australië, Nieuw‑Zeeland en enkele Pacifische eilanden zijn er nog vrij van. Volgens Kuiken ligt de oorsprong van zulke problemen meestal in intensieve veehouderij en niet primair bij wilde vogels, hoewel die de ziekte kunnen verspreiden.
In 2021 zat Kuiken in een expertgroep die aanbevelingen formuleerde om vogelgriep in te dammen: vaccineren, minder dieren per bedrijf, geen pluimveebedrijven in watervogelrijke gebieden en grotere afstand tussen bedrijven. De overheid heeft geprobeerd deze voorstellen beleidsmatig te vertalen, maar de meest ingrijpende maatregelen zijn niet doorgezet, deels door lobby van grote agro‑industrieën. Tegelijkertijd is de wereldwijde pluimveepopulatie de afgelopen 25 jaar verdubbeld; jaarlijks komen er grofweg een half miljard kippen bij, en het totaal aantal pluimveedieren is inmiddels ruim vier keer zo hoog als het wereldbevolkingsaantal.
Kuiken legt de link tussen consumptiepatronen en uitbraakrisico’s: hoge inkomenslanden eten aanzienlijk meer vlees, zuivel en eieren dan voor een gezond dieet nodig is, wat de wereldwijde veestapel en daarmee het risico op zoönosen vergroot. Hij pleit daarom voor minder dieren houden en meer plantaardige voeding — een verandering die niet alleen dieren en mensen beschermt, maar ook het klimaat, watergebruik en het euvel van antibioticaresistentie. De Eat‑Lancet Commissie, die pleit voor een “planetary health diet”, wordt genoemd als positief initiatief dat langzaam invloed heeft op nationale richtlijnen.
Verder waarschuwt Kuiken dat nieuwe dierziekten blijven opkomen: naast vogelgriep is de pseudovogelpest recent in meerdere Europese landen opgedoken, ook bij gevaccineerde dieren en met sporadische overdracht op mensen. MKZ is niet zoönotisch, wat gunstig is voor de menselijke gezondheid, maar vormt wel een waarschuwing voor de kwetsbaarheid van een landbouwsysteem met hoge dierconcentraties. Kuiken sluit met de constatering dat verandering mogelijk is maar traag verloopt, vanwege economische belangen en politieke gevoeligheden — en dat fundamentele keuzes over minder intensieve veehouderij en andere eetpatronen cruciaal blijven om toekomstige uitbraken te voorkomen.